Werking van de molen

oorspronkelijk een poldermolen

Wanneer men een buitenlandse bezoeker na het einde van zijn reis vraagt waar hij het eerst aan denkt bij "Nederland", noemt hij zeker de molens. Als men zo door het Hollandse landschap rijdt zal dat niemand verbazen. Heel het vlakke westen van ons land staat er vol mee. Vooral met watermolens die het laaggelegen polderland droog moeten houden. In Nederland zijn nog een kleine 400 poldermolens over waarvan er alleen in Zuid-Holland al 135 staan. Om in Oost-Nederland een molen te vinden moet men toch meer in bebouwde buurten zoeken. De meeste molens zijn in dit hogere landsdeel industiemolens en die staan dicht bij de klant.
De meeste van hen zijn korenmolens (geweest). Over het hele land bekeken zijn er nog ruim 500 over. In Overijssel zijn dat er 34. Toen midden vorige eeuw de stoommachine haar intrede deed ging dat als eerste ten koste van de poldermolens, één stoomgemaal kon de plaats innemen van vele windmolens. Dat betekende dat vele molens overbodig werden. Vele werden opgekocht door ondernemers uit andere delen van het land die de molens dan meestal lieten ombouwen voor een specifieke taak. Hierdoor kan het zijn dat er een, van de buitenkant, typisch Hollandse poldermolen in Dijkerhoek staat.

Dubbelklik voor vergroting.
Het zal U wel bekend zijn dat de Diekerhookse Mölle 'de Hegeman'", zoals ze officieel heet, voordat ze een korenmolen werd, ook dienst heeft gedaan als poldermolen. Waarschijnlijk was het haar taak een polder droog te houden, zodat de bewoners rustig enkele meters onder het zeeniveau konden wonen en werken.

in de molen

Als we de molen van binnen bekijken kunnen we de aanpassingen van polder- tot korenmolen terugvinden.

De "Diekerhookse Mölle 'de Hegeman'" is een zogenaamde achtkantige stellingmolen. Dat wil zeggen een molen die op een stenen onderbouw is geplaatst: de stelling. Dit werd veel gedaan met zogenaamde industriemolens, dat zijn molens die o.a. gebruikt werden om hout te zagen, graan te malen, oliezaden te slaan en gerst of rijst te pellen. Deze molens stonden namelijk vaak in bebost of bebouwd gebied waarbij de molenaar de wind niet goed in de wieken kon krijgen. Door nu de molen boven de omliggende omgeving uit te bouwen kon de wind van alle kanten veel beter benut worden.
Daarnaast spreekt men van een bovenkruier wat wil zeggen dat alleen de kap meedraait als men de wieken in de wind zet.

Hoe werkt de molen nu precies? Dat is een vraag die de vrijwillige molenaar en de medewerkers vaak te horen krijgen. We zullen proberen hen hier een handje bij te helpen.

Als eerste bekijken we de wieken. Deze bestaan uit twee lange stalen balken, de roeden die elkaar kruisen op de askop. Deze roeden zijn elk 21 meter lang, men zegt dan ook de vlucht is 21 meter. Elke roede vormt de basis voor twee wieken, maar dan moeten wel de hekkeschedes en de hekzoomlatten aan de roe worden bevestigd. Aan de andere kant van het roe-deel komen brede planken, het bord.
Deze onderdelen vormen samen de wiek. De molenaar kan, al naar gelang de windsterkte, gebruik maken van zeilen op de wieken. Door nu deze zeilen gedeeltelijk op te rollen zal de molen minder snel lopen. Elke stand van het zeil heeft een naam. Als het erg hard waait en er moet toch gemalen worden dan kunnen er nog borden van de wieken gehaald worden. Dit noemt men malen met geknipte nagels.

Zeiltypen:

1 = 'volle zeilen'
2 = 'duikertje'
3 = 'lange halve'
4 = 'halve'
5 = 'hogelijn'
6 = 'stormeindje'
zonder stormeinde = 'met blote benen'
zonder steekborden = 'met geknipte nagels'

Onder de plaats waar de wiekenas de kap ingaat bevindt zich een versierde plank, de baard geheten. Bij de Hegeman is hierin het bouwjaar vermeld; Anno 1890. Vaak was aan deze baard af te leiden hoe welgesteld de eigenaar was; des te rijker (hij zich wou voordoen), des te uitbundiger de versiering.
Als we nu naar de achterkant van de molen lopen zien we daar een balkenstellage zitten, het kruiwerk. Hiermee wordt de molen, staande op de stelling, of omloop, zo gedraaid dat de wieken in of juist uit de wind komen te staan. Dit gebeurt door een kabel of ketting op te draaien met een lier welke onder aan het kruiwerk is bevestigd. De Hegeman is daarom een buitenkruier omdat het kruiwerk aan de buitenkant van de molen zit. Het touw dat met een balk, de vangstok, achter uit de kap hangt is het vangtouw. Hiermee kan de molenaar de molen stop zetten.
Werking van de vang met buitenwipstok.

1 = Vlaamse blokvang
2 = rijklamp
3 = ezel
4 = lange sabelijzer
5 = vangbalk
6 = kneppeltouw, loopt naar buiten langs de
staart naar het kruirad.
7 = hangereel
8 = korte sabelijzer
9 = wipstok
10 = voeghout
Wanneer we de molen van binnen bekijken en de trappen beklimmen tot de hoogste etage, dan komen we uit op de kapzolder. De kap draait in de kuip op 39 metalen rollen. Bijna horizontaal in de kap ligt de, eveneens metalen, bovenas of wiekenas. Hieraan zit het bovenwiel, het meer dan manshoge tandwiel die voor de aandrijving van de koningsspil zorgt via de bovenschijfloop, ook een tandwiel dus.

Het bovenwiel.

 

De nokken van de tandwielen worden door de molenaar of één van zijn medewerkers ingesmeerd met varkensreuzel. Zo ziet U maar, zelfs de smering wordt verzorgd door het eigen vee. Maar nu weer terug naar het bovenwiel.

Als de molenaar de molen wil stoppen zal hij dus de wieken moeten afremmen. Dit gebeurt door middel van de vang.
Dit werkt bijna net zo als een trommelrem: om het bovenwiel zit een laag houtblokken verbonden door metalen strippen. Door nu de vang op het wiel te trekken remt de molen af. Deze vang kan ook van buiten de molen bediend worden met het eerdergenoemde vangtouw.

Gaan we een etage lager dan komen we bij de luizolder. In de Hegeman is dit geen duidelijk te herkennen zolder omdat deze niet helemaal dichtgetimmerd is. Het woord luizolder heeft niets te maken met luiheid of moe zijn, maar alles met het luien van de zakken graan. Dat is het optakelen met behulp van de beweging van de koningsspil. Hoe zit dat nou? Vlak boven het spoorwiel, het tandwiel onder aan de koningsspil, bevindt zich een vlak wiel aan diezelfde spil. Hierop kan de man die een volle zak naar boven wil hijsen een wiel laten zakken dat dan terstond begint te draaien. Doordat nu het wiel begint te draaien wordt een touw of ketting opgewonden. Die trekt de zak naar boven door de luigaten welke in de ondergelegen zolders zitten. Als de zak door zo'n luik is gegaan sluit deze zichzelf weer zodat de werknemers niet door de gaten naar beneden kunnen vallen. Is nu de zak op de juiste zolder, dan wordt het wiel van de luitafel gelicht en valt de zak op de juist gesloten luiken van de desbetreffende zolder.

Op de luizolder bevindt zich ook het al eerder genoemde spoorwiel dat het steenrondsel aandrijft. Het steenrondsel is het tandwiel waarin de as zit dat direct de molenstenen bedient. Het steenrondsel is geen gewoon tandwiel, maar twee houten schijven met vertikale pennen tussen de randen. Het lijkt op een breed, hol, tandwiel. Het brede is nodig omdat de as waaraan het rondsel is bevestigd op en neer moet kunnen en dan het rondsel ook op en neer beweegt tegen het spoorwiel. Het waarom leggen we zo meteen uit.

Als de molen in of uit de wind wordt gedraaid koppelt men het steenrondsel los van het spoorwiel zodat niet de stenen meedraaien. Dat deze zolder bij de Diekerhookse Mölle zo klein is komt ook omdat aan de westkant graansilo's in de molen zijn gebouwd. Overigens reiken deze silo's wel tot onderin de molen, tot de begane grond of invaart dus.

Gaan we van de luizolder weer een etage naar beneden, dan komen we op de steenzolder, de zolder waar het maalkoppel ligt. Het maalkoppel zijn de twee stenen waartussen het graan wordt vermalen tot meel. Ze zitten in een houten kuip. Vroeger stonden er twee maalkoppels op deze zolder, maar toen in 1930 de Deutz dieselmotor in de molen is geplaatst heeft men één maalkoppel naar de begane grond gehaald waar het alleen aangedreven kan worden door de dieselmotor. Op de steenzolder is dus nog maar één koppel te bewonderen.

De bovenste steen wordt de loper en de onderste de ligger genoemd. Zoals de naam al doet vermoeden is de loper de steen die door de wieken wordt aangedreven.

Het graan wordt uit zakken of uit één van de silo's in de kaar gebracht. De kaar is een schudbak op de maalkuip die het graan via het kropgat tussen de stenen laat vallen. De molenaar kan deze bak zo afstellen dat de juiste hoeveelheid graan gelijktijdig wordt gemalen. De schuddende werking wordt verkregen doordat het staakijzer, de as die de loper aandrijft, vierkant is waarbij vier hoeken van de as tegen de klapspaan, een (keihard) stuk koehoorn, van de kaar tikken.

Werking van de 'licht' voor een koppel maalstenen.

1 = contragewicht
2 = lichtestok
3 = lichtebalk
4 = pasbalk
5 = bolspil
6 = liggersteen
7 = lopersteen
8 = rijn
9 = klauw- of staakijzer


Zoals al is gezegd wordt alleen de loper aangedreven. Doordat de kwaliteit en grofheid erg afhankelijk is van het toerental van de stenen, dus ook van de wieken, heeft men een reguleringssysteem bedacht. Door nu de loper op te lichten kan de ruimte tussen de beide stenen worden gevarieerd. Hierdoor kan toch de gewenste kwaliteit meel tussen de stenen komen. Dit kan worden gedaan door middel van de licht. Het is een met veel hefbomen uitgerust systeem dat door de molenaar kan worden bediend door de lichtestok op of neer te halen.
Ook is er een systeem dat zichzelf regelt door middel van een metalen regulateur. Door een ingenieus uitgedacht systeem waarbij de loper zakt als de molen sneller gaat draaien kan ook in de Hegeman de goede kwaliteit van het meel beter worden gehandhaafd.
Het lciht
Billen

Het billen van de molensteen

 

 

 

Naast de kuip staat een steenkraan die de loper van de ligger kan hijsen als de kerven op de steen afgesleten zijn. De stenen kunnen dan weer worden aangescherpt, het zogenaamde billen. Dit vereist zeer veel vakkennis en er zijn er niet veel meer die deze kunst goed beheersen. De loper moet goed strijken, dat wil zeggen dat de afstand tussen de loper en de ligger op elke plaats even groot moet zijn.

Gaan we weer een verdieping lager dan komen we op de maalzolder. Dus de maalzolder is niet de zolder waar gemalen wordt maar waar het meel wordt bezakt en/of opgeslagen. Hier wordt aan de meelpijp, met daar onderaan de meelbak, een zak bevestigd. Een zaklichter, een klein liertje met een contragewicht, houdt de lege zak open. Hier kunnen we ook het hele regulateursysteem bekijken.

Gaan we de laatste trap af naar de begane grond, ook wel invaart genoemd. Daar kunnen we rechts het molenkoppel zien dat door de dieselmotor wordt aangedreven. Hier zit geen licht of regulateur op omdat het toerental van de motor kan worden geregeld. Hier kunnen we ook weer o.a. de kaar en de steenkraan herkennen. Dit koppel wordt van onderen aangedreven door middel van een aandrijfriem van de motor en twee grote haakse tandwielen. Dit neemt niet weg dat de bovenste steen de loper is en dus draait. Aande westkant zitten nog twee silo's ingebouwd. Links van de ingang, dus zuidelijk, zaten ook silo's, maar deze zijn eruit gehaald om meer ruimte voor bezoekers en medewerkers te verkrijgen. Om nu het losse graan van de begane grond naar de bovengelegen silo's te transporteren is er een zogenaamde jacobsladder aangebracht. Dat is een riem met schepjes er op die door een buis loopt. Deze schept onder in de molen het graan op en boven in de silo's laat ze het weer vallen. Dit apparaat wordt aangedreven door de dieselmotor. Nu zijn we de molen rond. Natuurlijk zijn niet alle molens hetzelfde, maar hopelijk hebt U nu een idee van hoe dit type korenmolen werkt.