Geschiedenis

Het begin

Op 4 februari 1890 krijgt de weduwe van Hendrik Jan Klein Baltink vergunning om in Dijkerhoek, waar zij op Hegeman's Erve woont, een windkorenmolen annex bakkerij te laten bouwen.
De bouw van de molen wordt opgedragen aan de Fa. F. ten Zijthoff & Zn. in Deventer, de bekendste molenmaker in Oost-Nederland uit die tijd die vele molens gebouwd heeft.

In 1890 zijn er prima molens voor afbraak te koop, vaak tegen een zeer zacht prijsje. Het is dan ook te begrijpen, dat voor de molen van Dijkerhoek deze weg ook bewandeld wordt. Volgens overlevering koopt Ten Zijthoff een Zuid-Hollandse poldermolen, die door hem als korenmolen herbouwd wordt. De gedemonteerde molen zou per schip over de IJssel naar Deventer vervoerd zijn en vervolgens met paard en wagen naar Dijkerhoek.

Na acht maanden kan met de nieuwe molen gemalen worden. Dat men gebruik heeft gemaakt van een molen van elders is duidelijk; Er staat ergens het jaartal 1730 vermeld. Maar waar de molen dan wel vandaan komt blijft nog een raadsel.

De Overwaard nr.4 - een typische zuidhollandse grondzeiler.

Een hulpmotor

In 1909 wordt G. Klein Baltink als molenaar genoemd. Deze laat in 1912 een petroleummotor bij de molen plaatsen om ook in geval van windstilte te kunnen malen.

Ruwweg vanaf de eeuwwisseling werden in Nederland vele coöperaties opgericht. In de aanvang waren dat veelal echte 'handelsverenigingen': men kocht en verkocht voor gezamenlijke rekening. In veel gevallen liet men bij de plaatselijke molenaar malen. Maar er was maar weinig voor nodig of zo'n coöperatie besloot om zelf te gaan malen. Dit was dan vaak de doodsteek voor de particuliere molenaar, die vaak een zeer groot deel van zijn maalwerk kwijtraakte. Het kwam dan ook wel voor, dat de molenaar om grote zakelijke problemen te voorkomen, de molen aan die coöperatie verkocht, die hiermee dan zelf ging produceren.

Ook de molen van Dijkerhoek raakt in handen van een coöperatie. Op 1 augustus 1927 werd de molen met het huis voor f 118.500,- verkocht aan een coöperatie, die onder verschillende namen voorkomt: "Coöp. Landbouw Handelsvereniging Holten" en "Coöp. Aan- en Verkoopvereniging Holten". Rond 1930 wordt de petroleummotor vervangen door een 15 pk Deutz-ruwoliemotor, die een koppel stenen op een maalstoel onder in de molen aandrijft. De coöperatie heeft in de vrij lage molen te weinig ruimte. Daarom wordt in 1936 rond de molen een achtzijdig pakhuis met een plat dak op baliehoogte opgetrokken.
Klik voor vergroting.

tijd van verval

In 1947 is de coöperatie van plan de molen te onttakelen omdat hij dringend herstel vereist. Bovendien wenst zij de productie geheel onder te brengen in het hoofdbedrijf in Holten zelf , waardoor het filiaal in Dijkerhoek (de molen c.a.) alleen als opslagplaats dienst hoeft te doen. Dat betekent dat men in Dijkerhoek geen molenaar meer nodig heeft, waardoor men de personeelskosten van twee tot één man terugbrengt. Onttakeling heeft ook het voordeel dat men de reparatielasten uitspaart en dat de assurantielasten aanzienlijk verlaagd zullen worden. Burgemeester Enklaar van Holten wijst de coöperatie erop, dat onttaken zonder vergunning niet mag en hij roept de hulp van "De Hollandsche Molen" in. Tot een oplossing komt het niet, maar de onttakeling gaat ook niet door.

Klik voor vergroting. De molen wordt in 1948 stilgezet en als er nog gemalen moet worden, dan gebeurt dat op de motor. In 1951 waagt de burgemeester een nieuwe poging om de molen te herstellen. Als er niet op korte termijn geen oplossing komt acht hij zich genoodzaakt uit veiligheidsoverwegingen de coöperatie te gelasten de molen van zijn wieken te laten ontdoen.
Molenmaker G. ten Have uit Vorden is prijsopgave voor herstel gevraagd. Uitwendig herstel vereist f 1985,-, herstel in maalvaardige staat f 4180,- meer. Maar er gebeurt verder niets.
In 1960 neemt de coöperatie een nieuw bedrijfspand in Holten zelf in gebruik, waardoor de molen voor haar helemaal van geringe betekenis wordt. Mogelijk om die reden onderneemt burgemeester Enklaar in 1961 weer een poging.

De toestand van de molen is nu zo slecht dat onverwijld een beslissing dient te worden genomen over de afbraak hiervan, omdat deze gevaar oplevert voor de omgeving. In juni van dat jaar neemt de burgemeester contact op met de directeur van de cooperatie en dat levert resultaat op. De coöperatie is bereid om de molen te laten restaureren, mits de kosten bescheiden blijven.
Dan komt langzamerhand de restauratieprocedure op gang. In januari 1963 komt molenmaker Bisschop uit Zwollerkerspel met een restauratiebegroting, die een totaalbedrag van f 22.120,- laat zien. Op 1 maart 1963 gaat de gemeenteraad van Holten akkoord en in 1964 komt de rijkssubsidie af. Daarna kan molenmaker Bisschop aan het werk. Het gevlucht wordt hersteld en werd nog het nodige andere werk verricht, terwijl de molen ook geheel opnieuw gerietdekt wordt. In 1965 is de molen weer als nieuw. Al met al heeft de volhardende houding van burgemeester Enklaar uiteindelijk toch een positief resultaat opgeleverd.

restauratie

In de jaren zeventig is er sprake van een fusiegolf onder de coöperaties. Deze gaat aan Holten niet voorbij. Op 21 november 1973 verkoopt de nieuwe coöperatie 'Trio' de molen in Dijkerhoek aan de heer A. H. Feberwee in Deventer. Deze laat de molen af en toe draaien, mogelijk het laatst op de Nationale Molendag van 1978. Hij ziet evenwel geen kans de molen, die weer begint te vervallen, te restaureren. Om de toekomst van de molen veilig te kunnen stellen, gaat de gemeente Holten nu tot aankoop over. Op 8 augustus 1978 besluit de gemeenteraad van Holten, onder voorzitterschap van burgemeester Enklaar, de molen van de heer Febenwee aan te kopen voor f 15.000.-. De feitelijke overdracht laat nog even op zich wachten in verband met een tweetal kettingbedingen, gesteld bij de verkoop in 1973. Daarin was gesteld, dat er in de molen geen veevoeder- of andere artikelen, die door 'Trio' verhandeld werden, mochten worden opgeslagen of verhandeld worden. De gemeenteraad van Holten gaat in haar vergadering van 19 februari 1979 akkoord met een aanvulling op het koopcontract in deze zin en dan is de weg voor de nieuwe restauratie vrij.

In juli 1979 wordt de restauratie opgedragen aan de Soweco (Sociaal Werkvoorzieningscentrum voor Overijssel). De feitelijke uitvoering vindt in de jaren 1981 en1982 plaats, waarbij het typische molenmakerswerk (gaande werk,. gevlucht, en het in orde maken van de maalstoel) wordt gedaan door Groot Wesseldijk uit Laren. Het meest opvallende aspect van deze restauratie is het verdwijnen van de in 1936 gebouwde pakhuisruimte, waardoor weer een normale balie nodig was. De machinekamer met daarin de oude Deutz-motor bleef gelukkig gehandhaafd. Op 3 december1982 vindt de oplevering plaats. terwijl de restauratie wordt afgesloten met een feestelijke opening op de Nationale Molendag, 7 mei 1983. Bij die gelegenheid ontvangt de molen een naam: 'De Hegeman', genoemd naar de Weduwe Klein Baltink. die van haar eigen naam Hegeman heette. Vanaf 1983 tot nu toe wordt de molen bemalen door vrijwilligers.

Windstilte was een ware kwelling voor windkoren-molenaars. In sommige streken van ons land had men de waterradmolens als uitwijkmogelijkheid. maar verder was men aangewezen op rosmolens. Echte alternatieven waren dit niet. Vandaar, dat de uitvinding van de stoommachine en de verbrandingsmotor niet alleen concurrentie van maar ook een aanvulling op windmolens betekende. Bij veel molens kwam een hulpstoommachine of een locomobiel te staan. In de praktijk bleek het werken hiermee nogal wat nadelen te hebben, vandaar dat de stoommachines het al snel moesten afleggen tegen de explosiemotoren. Zuiggas-, lichtgas-, petroleum-, benzine- en dieselmotoren, ze vonden ook hun weg naar de molen. Het waren in de aanvang langzaam lopende ééncilinder-motoren, zuinig in het brandstofgebruik. Soms dreven deze motoren, via allerlei constructies, het binnenwerk van de molen aan, soms stond er een aparte maalstoel op de begane grond. Vrijwel al deze motoren zijn inmiddels verdwenen, eensdeels hebben ze het af moeten leggen tegen modernere krachtbronnen, anderdeels zijn ze bij molenrestauraties ook wel weggestopt, omdat men vond dat het 'motorhok' het aanzien van de molen schaadde. Nu heeft evenwel het inzicht veld gewonnen dat deze motoren erbij horen. Maar veel zijn er niet meer over.In de molen van Dijkerhoek staat de al eerder genoemde Deutz-motor uit 1930. Na de voltooiing van de restauratie van de molen in 1983 begon men ook te denken aan het weer in orde brengen van de motor en de maalstoel. In 1986 staagde Tonny Moes, na een grondige revisie, erin om de motor weer op gang te krijgen. De molen maalt momenteel voor een handel in veevoeders. Eén maalstoel draait op windkracht, de andere maalstoel wordt nog steeds aangedreven door de orginele bedrijfsvaardige Deutz-dieselmotor.Sinds 20 februari 2006 is het beheer van de molen weer in handen gegeven van de Dijkerhoekse gemeenschap middels de (beheers-)stichting Korenmolen De Hegeman.